COLUMN
Riorama 29 – maart 2020
Aquanomie
Professor Waterfort is een innemende man. Een achtentachtigjarige Zeeuw, hooguit een meter zestig lang. Hij heeft een witte krullende haarbos, draagt een klein rond metalen brilletje dat zijn azuurblauwe ogen groter doet lijken en een wat, naar mijn smaak, te lange walrussnor. Aan zijn verschijning is in niets te vermoeden dat hij Nobelprijswinnaar is. Ik ontmoette de man op een mooie zomerdag op het terras van een strandpaviljoen aan de Walcherse kust. Een goede Nederlandse vriend van me had de afspraak geregeld. De professor had zijn hond meegebracht. Wellicht een kruising tussen een labrador en een grote bruine straathond.
Hij kwam gedecideerd op me toegestapt. ‘Hallo Carl , Ik ben John en dit is Wally’ zei hij met opgewekte stem. ’Leuk dat we elkaar hier treffen’.
Ik stond op en begroette hem op mijn beurt. ‘Professor Waterfort, hartelijk dank dat u tijd voor me wil maken’. ‘Geen dank, op mijn leeftijd heb ik de luxe om mijn tijd te kunnen invullen zoals ik het zelf wil’, lachte hij. ‘En noem me alsjeblieft John’.
‘Kraanwatertje?’ vroeg ik. ‘Ja graag. Doe er ook maar één voor Wally’, grapte hij.
John is grondlegger van een tot voor kort nieuwe wetenschap: de AQUANOMIE. Het is zijn levenswerk geworden.
Als pas gepromoveerde doctor in de wetenschappen had water geen geheimen meer voor hem. Dat dacht hij toen althans. ‘De watersnood van 1956 heeft me bescheiden gemaakt. De beelden van de ramp staan op mijn netvlies gebrand. We hebben mijn jongere broertje erin verloren. Mijn moeder is dat nooit te boven gekomen’, vertelde hij met tranen in zijn ogen. ‘Alles heb ik er toen aan gedaan om te helpen om een dijkenprogramma uit te rollen, zodat we dit nooit meer hoeven mee te maken. En dat plan hebben we gerealiseerd’, voegde hij er met enige trots aan toe.
‘We dachten dat we de controle over het water hadden teruggewonnen, maar toen kwam 1976 met een langgerekt hitteseizoen dat al in het voorjaar begon. In juli, na aanhoudende droogte, hebben mijn ouders op hun Zeeuwse boerderij het vee moeten afslachten bij gebrek aan drinkwater. Vaders levenswerk ging eraan’, vervolgde hij ernstig.
‘Toen is het me pas goed beginnen dagen dat we weloverwogen keuzes moeten maken bij de productie, consumptie, distributie, berging en afvoer van het soms erg schaarse en bij tijden overvloedige water. En zo is een nieuwe tak in de wetenschap ontstaan. Een kruising, zoals mijn Wally. Maar nu tussen toegepaste wetenschappen en toegepaste economie. Ondertussen hebben we al heel wat Aquanomen opgeleid. Een Aquanoom is iemand die bewust omgaat met het gebruik van water, zowel bij overvloed als bij krapte aan dit kostbare middel. En dat werpt zijn vruchten af: in alle omstandigheden slagen ze erin om de vraag en het aanbod aan water in evenwicht te houden. Aquanomen zijn flexibel. Ze zijn zuinig op het schaarse water en voorzienig in geval van overvloed aan water, zodat ze droge voeten blijven houden’, verklaarde John met vuur.
Het is maandag, half zeven in de ochtend. Stan, onze Mechelse scheper, duwt de deur van onze slaapkamer open met zijn snuit en komt kopjes geven. ‘Tijd om wakker te worden en me uit te laten’, bedoelt hij. Ik word, vlugger dan ik eigenlijk wil, wakker uit een mooie droom. Maar het woord Aquanomie liet me sinds die ene maandag niet meer los.
Carl Heyrman
Algemeen directeur AquaFlanders
